Sophie (5 maart 1855 - 29 mei 1857)

Sophie Friederike Dorothea Maria Josepha, het eerste kind van keizer Frans Jozef en keizerin Elisabeth, werd geboren op 5 maart 1855. Ze werd genoemd naar haar grootmoeder, aartshertogin Sophie.

Keizerin Elisabeth hield van Hongarije en in de lente van 1857 namen zij en Frans Jozef Sophie en Gisela (die in 1856 was geboren) mee op reis naar haar favoriete land. Tijdens deze reis werden Sophie en Gisela ziek; ze hadden allebei diarree en hoge koorts. Terwijl de gezondheidstoestand van Gisela snel verbeterde, verslechterde de toestand van Sophie. Na een doodsstrijd van elf uur stierf ze in de armen van haar moeder.

Sophie werd bijgezet in de Kapuzinergruft in Wenen. Keizerin Elisabeth werd door haar schoonmoeder (aartshertogin Sophie) verantwoordelijk gehouden voor de dood van Sophie. Elisabeth verviel in een hevige depressie, waaraan ze langdurig zou lijden.

Gisela (15 juli 1856 - 27 juli 1932)

Gisela Louise Marie, aartshertogin van Oostenrijk (en na haar huwelijk tevens prinses van Beieren) was de tweede dochter van keizer Frans Jozef en keizerin Elisabeth.

Met haar moeder had Gisela geen hechte band. Aartshertogin Sophie vond dat Elisabeth te jong was om haar kinderen op te voeden, daarom werden ze door haar opgevoed. Gisela had een hechte band met haar jongere broer, kroonprins Rudolf. Zelfs na haar huwelijk en haar verhuizing naar Beieren hielden broer en zus contact.

Op 20 april 1873 trouwde Gisela met prins Leopold van Beieren, zoon van prins-regent Luitpold van Beieren en aartshertogin Augusta Ferdinande van Oostenrijk. In 1923 vierden ze hun gouden huwelijk. Haar man stierf in 1930 en Gisela overleed 2 jaar later in 1932. Ze werd naast haar man bijgezet in de St. Michaelskerk te München.

Rudolf (21 augustus 1858 - 30 januari 1889)

Rudolf was de enige zoon van keizer Frans Jozef en keizerin Elisabeth. Hij kreeg aanvankelijk een zeer strenge Spartaanse opvoeding en werd regelmatig 's nachts wakker gemaakt door kanonschoten. Hij kon dit niet aan en mede daardoor plaste hij nog tot zijn 11e levensjaar in zijn bed. Toen zijn moeder Elisabeth hiervan hoorde, eiste zij dat dit ophield. Ze stelde haar man Frans Jozef voor een ultimatum: óf ze ging bij hem weg óf zij mocht over de opvoeding van hun zoon beslissen. Frans Jozef koos het laatste. Hierdoor kreeg Rudolf een veel aangenamere jeugd en daar was hij zijn moeder altijd dankbaar voor. Hij kreeg een liberale leermeester en werd opgevoed met de liberale ideeën die zijn moeder ook had. Niettemin leek de keizerin zich over het algemeen weinig om haar zoon te bekommeren, hoewel hij qua karakter het meest van al haar kinderen op haar leek.

Rudolf was een intelligente man die verschillende artikelen geschreven en gepubliceerd heeft. Dit deed hij onder pseudoniem, aangezien niemand mocht weten dat het de troonopvolger was die zo te koop liep met zijn ideeën; ideeën die bovendien rechtstreeks ingingen tegen die van zijn vader en van de cirkel van aristocraten waarmee deze zich omringde. Hij was bijzonder geïnteresseerd in natuurwetenschappen en publiceerde ook, over zijn reizen en over allerlei zoölogische onderwerpen.

In 1881 trouwde Rudolf met Stefanie, de dochter van Leopold II van België. Samen kregen zij in 1883 een dochtertje, aartshertogin Elisabeth Marie (ook wel Erzsi genoemd).

Rudolf was een goed jager. Hij verbleef dan ook vaak in zijn jachtslot te Mayerling. In 1889 overleed hij op dertigjarige leeftijd in ditzelfde jachtslot samen met zijn maîtresse Marie von Vetsera. Naar over het algemeen wordt aangenomen, heeft hij eerst haar vermoord om vervolgens de revolver op zichzelf te richten. Door sommigen werd eraan getwijfeld of sprake was geweest van moord of zelfmoord, de liberaal gezinde kroonprins had namelijk voldoende tegenstanders. De zelfmoord was evenwel evident. Zowel Marie als Rudolf lieten afscheidsbrieven achter. Rudolf schreef er een aan zijn vrouw en een aan zijn moeder. Die laatste brief is niet bewaard gebleven. Toen eenmaal vaststond dat hij zelfmoord had gepleegd, moesten artsen een verklaring opstellen waaruit zou blijken dat de kroonprins ten tijde van zijn daad krankzinnig was geweest. Dit om een begrafenis volgens katholieke riten mogelijk te maken.

Marie Valerie (22 april 1868 - 6 september 1924)

Marie Valerie Mathilde Amalia was het vierde en jongste kind van keizer Frans Jozef en keizerin Elisabeth. Omdat Elisabeth haar eerste drie kinderen niet zelf had mogen opvoeden van haar schoonmoeder, Sophie, was ze zeer verheugd met haar vierde zwangerschap. Tijdens de geboortes van haar eerste drie kinderen waren Oostenrijk en Hongarije nog niet samengevoegd tot Oostenrijk-Hongarije, wat betekende dat dit kind het eerste Hongaarse koningskind sinds honderden jaren zou zijn. Elisabeth beschouwde haar vierde kind dan ook als een geschenk voor Hongarije. Elisabeths liefde voor Hongarije, had haar zelfs de hoop gegeven een zoon te baren, die dan later als koning van Hongarije zou kunnen regeren, terwijl haar oudste zoon, kroonprins Rudolf, dan de Oostenrijkse keizer zou zijn.

Marie Valerie was het lievelingskind van Elisabeth. Ze bracht een groot deel van haar jeugd door in Hongarije, waardoor ze in Oostenrijk de bijnaam “het Hongaarse kind” kreeg. Op een bepaalde leeftijd begon Marie Valerie zich, tegen de bedoelingen van haar moeder in, tegen alle Hongaarse dingen af te zetten. Marie Valerie sprak daarna voornamelijk Duits, maar beheerste ook het Frans, Engels en Italiaans. Ze hield erg veel van muziek en kunst.

In 1886 leerde Valerie op een bal aartshertog Frans Salvator van Oostenrijk kennen, op wie ze verliefd werd. Men had gehoopt dat Marie Valerie zou trouwen met een kroonprins van een belangrijk geslacht, maar zij koos voor de liefde. In 1888 verloofde ze zich met Frans Salvator om op 31 juli 1890 in de dorpskerk van Ischl met hem te trouwen.

Het paar vestigde zich in Wels. In 1895 zette de eigenaar van Schloss Wallsee, hertog Alfred van Saksen-Coburg en Gotha, het kasteel te koop en werd er begonnen aan een grondige renovatie. Na de voltooiing van de renovatie, in 1897, betrok het gezin van Marie Valerie het kasteel aan de Donau. De inwoners van Wallsee waren daar erg blij mee, omdat Marie Valerie bekend stond als een gulle en goede vrouw.

Ondertussen ging het niet goed tussen Marie Valerie en Frans Salvator. De eerste jaren van hun huwelijk waren harmonisch geweest, maar in de loop der jaren verslechterde dat. Frans Salvator had regelmatig buitenechtelijke relaties.

In 1924 werd er lymfoon, een bepaalde kankersoort, bij haar geconstateerd. De artsen konden haar niet meer helpen en op 6 september van dat jaar overleed ze te Wallsee-Sindelburg. Ze werd bijgezet in een graf achter het hoofdaltaar van de parochiekerk te Sindelburg.